submenu

Tandarts Herman Standaert verhuist na meer dan veertig jaar - 05/05/2022

‘Het zijn banale dingen die beide gemeenschappen bij elkaar brengen’

Herman Standaert (67) verhuisde eind maart naar Asse. Heel wat Linkebekenaren lagen de voorbije veertig jaar in de stoel van de tandarts. Door toeval belandde hij begin jaren tachtig in het dorp, maar met de hulp van een joviale buur raakte hij snel geïntroduceerd.

Nu hij zijn werk afbouwt, is het tijd voor een terugblik.

Voor Herman in Linkebeek belandde, woonde hij in verschillende gemeenten. Hij werd geboren in Oost-Vlaanderen. Maar enkele verhuizingen later sprak de jonge Herman al vlot beide landstalen. ‘Ik ben geboren in Ninove omdat mijn moeder van daar afkomstig was’, legt hij uit. ‘Toen trokken moeders voor hun bevalling nog naar hun familie, omdat ze daar konden rekenen op de steun van de omgeving. Maar mijn ouders werkten in de bank in Brussel en woonden in de buurt. Ik groeide tot mijn 6 jaar in Etterbeek op. De kleuterschool werkte ik daar in het Frans af, omdat er geen Nederlandstalige kleuterschool was. Toen ik wat ouder was, verhuisden mijn ouders naar Meise. Vandaar ging ik naar school in Grimbergen.’

Hoe belandt een jongeman van de ene rand van Brussel in de andere?

‘Ik leerde mijn echtgenote Monique kennen tijdens mijn studies tandheelkunde en zij was afkomstig van de hoofdstad. Zij wilde zich niet te ver van haar thuisstad vestigen. We hebben er de kaart van Brussel en omgeving bij gehaald en met speldenkoppen aangeduid waar er al tandartsen zaten. Onder andere in Linkebeek en Beersel waren er nog niet te veel aan de slag, dus trokken we naar hier.’

Hoe werd je als inwijkeling onthaald?

‘We woonden eerst in de Brouwerijstraat. Daar heb ik het geluk gehad om Pol Van Lishout als buurman te leren kennen. Dat was een heel joviale gast die heel Linkebeek kende en omgekeerd. We raakten vrij snel goed bevriend. Hij introduceerde me in het dorp door me onder andere mee te nemen naar een quiz. Hij nam me altijd mee naar de activiteiten van de Vlaamse gemeenschap en dat is voor mij een mooi geschenk geweest. Een echt engagement in het verenigingsleven heb ik nooit opgenomen. Zelf pikte ik graag eens een activiteit mee, maar de praktijk slorpte heel wat tijd en energie op. Vanaf 8 uur ontving ik de eerste patiënten en vaak stopte dat pas om 22 uur. In onze tijd was dat de gewoonte. We hadden veel werk omdat er weinig tandartsen waren.’

Dat je beide talen sprak, zal wel een voordeel geweest zijn.

‘Ik heb altijd patiënten uit beide gemeenschappen gehad. Dankzij Pol waren dat eerst vooral Vlamingen, maar ook de Franstaligen vonden wat later de weg naar mij. Maar goed ook, want de Vlamingen maakten toen al amper 20 procent van de bevolking uit. Als snel had ik fiftyfifty patiënten van beide kanten. Iedereen was hier welkom en de mensen waren tevreden. Er was ook niet echt sprake van een taalprobleem. Begin jaren tachtig was er al een Franstalige burgemeester aan de macht. Ooit hoorde ik iemand er een analyse over maken: ‘Men leeft hier vreedzaam samen maar men leeft hier naast elkaar.’ Dat vatte de tijdsgeest goed samen. Frans- en Nederlandstaligen hadden elk hun eigen activiteiten, maar bij elkaar op bezoek gaan gebeurde niet. Pas later zijn er forse discussies geweest, maar die speelden zich vooral in het gemeentehuis af.’

Is de kloof volgens jou nog steeds even groot als toen?

‘Er is een positieve evolutie. Nu organiseren Franstaligen en Vlamingen al eens samen activiteiten. Zo vindt er een Open Tuinendag plaats en er is een Repair Café. Dat zijn activiteiten waar iedereen aan deelneemt. Als je als Vlaming ‘s ochtends je brood kan toasten in een broodrooster die je Franstalige buur heeft hersteld, dan schep je een band. Het zijn zulke banale dingen die de gemeenschappen bij elkaar brengen. De zeepkistenrace is nog een voorbeeld. Daar komt iedereen op af. Het zijn die initiatieven die we moeten koesteren en toejuichen. Die race wordt intussen professioneel georganiseerd met een groot scherm waar alles op te volgen is en er worden nu zelfs dronebeelden gemaakt.’

Je stopt als tandarts, maar de praktijk blijft bestaan.

‘Gelukkig voor de inwoners. De praktijk wordt voortgezet door collega’s. Er is nu al zo weinig aanbod in Linkebeek. Tegenwoordig zitten we zelfs zonder echte bank, want de bank van de Post is de enige die overblijft. Er is geen bakker meer, maar wel nog een uitstekende slager en een voortreffelijke bloemenwinkel. En er is een sympathieke krantenwinkel. Ik heb het er vooral moeilijk mee dat de banken allemaal gesloten zijn. Dat er niet eens meer een automaat is waar je geld uit de muur kan halen … Dat is er toch compleet over? En er zijn nog andere leuke dingen die verdwijnen. Zo had je Au Petit Cocq, of ‘Bij Koksken’ in de volksmond. Dat café en restaurant is nu een woning. In een dorp als Linkebeek is het verdwijnen van zo’n zaak een verlies. Er is gelukkig nog de cafetaria aan de Moelie en verder is er café Malakoff. Veel blijft er niet meer over. Dat is een algemene tendens in de dorpen.’

Heb je er nooit spijt van gehad dat je in Linkebeek kwam wonen?

‘Ik heb hier veertig jaar met veel plezier gewoond en geleefd. Nu heb ik wat meer tijd om te wandelen en zo ontdek ik nu pas hoe prachtig het hier is. Het Wijnbrondal is een referentie voor natuurliefhebbers. En het Schaveysbos is een prachtige plek die ik zeker zal missen. Maar ik denk wel dat ik na de verhuis nog eens in de praktijk zal binnenstappen, dus ik keer Linkebeek zeker niet de rug toe. Twee jaar geleden ben ik zelf gestopt met het werken ‘aan de stoel’ zoals dat heet in ons jargon. In de praktijk werken de collega’s verder. Ik werk achter de schermen, want er komt heel wat bij een tandartsenpraktijk kijken. Zo moet er materiaal besteld worden, er is administratie op te volgen en er zijn regelmatig controles die gedaan moeten worden. Ik heb nog steeds mijn bezigheid. Maar ook dat ga ik verder afbouwen, want elke dag pendelen tussen Asse en Linkebeek zie ik niet zitten.’

Tekst: Bart Kerckhoven
Foto: © Tine De Wilde
Uit: sjoenke mei 2022